‘Ze zou jullie sowieso te eten hebben gegeven,’ zei ik tegen hen.
Die avond ging ik naar huis, naar het lege huis. Ik ging aan de keukentafel zitten, waar haar lege koffiemok nog steeds stond. Ik keek naar de lege schorthaak aan de muur en fluisterde in de stilte: ‘Ze gaan bomen voor je planten.’ Ik denk graag dat ze me hoorde. Ze leerde me hoe ik moest volhouden, hoe ik moest vergeven en hoe ik openlijk moest liefhebben. En misschien, als ik mijn best doe, kan ik ook iemands poolster worden.